Wat zou ik hebben gedaan? Een vraag die ik me als jong kind vaak stelde. Opgroeiend in een huis waar verhalen over een Joodse opa getrouwd met een Duitse oma aan de muren kleefden. Waar de onmacht onuitgesproken mee uitgeademd werd in het zwijgen van mijn vader, overrompeld door de directe toevoegingen van mijn moeder.

Moeder die geboren werd uit ouders die trouwden in diezelfde oorlog: wanneer ik de foto op de grote spannende zolder vind, zie ik een stralend jong echtpaar, prachtig gekleed, compleet met een koetsje met paarden. Zonder dat ik het begrijp voel ik de verschillen stromen in mijn 1 en dezelfde bloedbaan.

En terwijl ik door de uiterwaarden loop waar de herdenkingskruisjes van slachtoffers van de slag om Arnhem tegen de bomen rusten, het bloed in de grond gezakt is en het soms klinkt alsof de ruisende bladeren van de boom steeds weer verhalen vertellen, vraag ik me op deze herdenkingsdag af wat ik zou doen.

Wat zou ik doen als er verdeeldheid gecreëerd werd? Eerst subtiel startend maar steeds overtuigender. Wat zou ik doen als er groepen zouden worden uitgezonderd, bedreigd en buitengesloten, omdat ze niet pasten in de huidige staat van opvattingen en normaal zijn.

Als kind een vraag, als volwassene een steeds groter groeiend weten: ik zou voelen. Voorrang geven aan de boodschap van mijn hart. Ik zou ervaren dat ik angstig, woedend, onzeker, sterk en zeer dankbaar voel. Afwisselend en soms door elkaar heen. Ik zou vertrouwen. Schoorvoetend in het begin, dat wel, maar steeds sterker in de tijd. Ik zou m’n straalangst afleggen, wetende dat dit het moment is van liefde, van staan, van volledig doen waarvoor je hier bent.

Ik zou naar huis lopen en schrijven. Mijn stem laten horen. Je uitnodigen op deze herdenkingsdag lief te hebben. Je zelf. Een ander. Hoe, wie of wat we ook zijn.