Ik keek over m’n rechterschouder en voordat ik het goed en wel in de gaten had, zwierde hij in 1 vloeiende beweging naar binnen. Een uitnodiging was overbodig. Met zijn shabby pak, te ruim in de schouders, perste hij mijn ruimte in. Ik wilde wel vragen of hij iets wilde drinken (ik ben per slot van rekening goed opgevoed) maar zijn voorkomen was zo over vullend dat überhaupt ademhalen al een uitdaging werd.

Mijn gedachten raasden vooruit. Hoe kom ik van die vent af? Hoe haalt hij het in z’n hoofd zo abrupt binnen te vallen? Ik probeerde me kleiner te maken in de hoop ruimte te krijgen voor adem en nadenken dus trok m’n hoofd tussen m’n schouders en hurkte neer. Onmiddellijk vulde hij de ontstane ruimte. Ik moest iets doen.

Er klopte iets tussen mijn ogen. Toen ik m’n aandacht erop richtte leek het een zacht pulseren te zijn dat, terwijl ik het volgde, een verbindingslijntje legde naar mijn hart. En daar heel in de verte, bleek een klein gouden lichtje te branden. Verrukt streelde ik mijn vinger erover heen. Het voelde zacht als fluweel. Stralend en warm. Ik werd overspoeld door een gevoel van blijdschap, vreugde, plezier en vertrouwen. Het gevoel van het onbevangen kind, huppelend van geluk.

Ik voelde de ruimte die ontstond door het licht. Mijn adem werd ruimer en krachtiger en opeens herinnerde ik me weer de grote man die zo plots mijn ruimte was binnengedrongen.

Ik draaide me naar hem om en zag hem zitten. Zijn proporties waren dusdanig afgenomen dat hij rustig op een stoel was gaan zitten. Hij keek me recht aan.

‘Wie bent u?’, vroeg ik hem ‘en waarom komt u zo onbehouwen binnen zeilen?’. ‘Ik ben je angst’, verklaarde hij ‘en dat is wat ik met je doe’. Terwijl ik naar hem keek dacht ik na: als hij zoveel macht had mij te laten krimpen tot een klein, moeilijk ademend, hoopje mens, kon ik maar beter met aandacht en respect met hem omgaan. Ik vroeg hem wat hij nodig had. ‘Ik wil dat je me ziet, me erkent, me ruimte geeft. Bij me blijft als ik me opblaas. Ik wil dat je me vasthoudt, me troost, me zegt dat ik er mag zijn. In alle volledigheid.

Er rolde een traan over mijn wang terwijl ik luisterde naar zijn woorden. Hoe lang had ik hem niet geweigerd? Ontkend? Afgewezen? Overschreeuwd. Lang genoeg om hem zo te laten groeien dat hij mijn hele ruimte kon vullen. Ik boog mijn hoofd. Want wat hij vroeg, wilde ik dat niet ook? Gezien, gevoeld, vastgehouden en erkend worden.

Ik bedankte mijn angst. Voor de les van overgave, vertrouwen en moed. En voor het verbinden met het lichtje in mijn hart.