‘Laten we afscheid nemen’, zegt ze en ik knijp mijn ogen dicht. Ik wil niet. Niet loslaten de lieve ogen, de stralende glimlach en de zo vele hartelijke begroetingen. Ze pakt mijn hand en ik voel: mijn grote vingers omsloten door haar broze handen. De jaren getekend in donkere vlekken en lijnen. Ik huil. Voel me van binnen openscheuren. In een golf overspoeld door warmte, hitte en verdriet.

Dit wil ik niet.

Ze wacht. Want ze weet: ik heb tijd. Zij, wiens tijd afrondde, in duur én in vorm, wacht geduldig. Op mij. Want zij weet.

Ze weet dat ik weer ga ademen, voluit, om mijn energie te laten stromen. Ze weet dat ik zal opstaan, wanneer het moment daar is. Ze weet dat ik zal herstellen, rouwen en leren. En ze weet dat ik mijn hart weer zal openstellen.

Doordrongen van de wijsheid, overgoten met liefde, kijkt ze me aan. Geen moeten, geen wensen, geen dingen meer te doen.

Mijn tranen drogen en ogen gaan open. Nog nasnikkend bereikt ze mijn hart. Ik voel een sprankel van licht en warmte.

‘Voor altijd verbonden’, zegt ze. En sluit de hare.